Molukse marinier doorbreekt 40 jaar zwijgen

Veertig jaar zweeg marinier John Titahena. Over de hoge prijs die hij vanwege zijn Molukse achtergrond betaalde voor zijn deelname aan de beëindiging van twee treinkapingen. Zijn familie moest rennen voor haar leven toen woedende jongeren de marinier kwamen halen.
Vanwege bedreigingen woonde het gezin jaren in het buitenland. Zwijgen deed Titahena ook toen nabestaanden van twee bij De Punt gedode kapers een proces aanspanden tegen de Staat.

Terreurbestrijders mijden de schijnwerpers. Zeker de mariniers die bij de treinkaping bij De Punt vochten, blijven buiten de publiciteit. Niemand was schuwer dan de van oorsprong Molukse John Titahena. Hij moest in actie komen tegen zijn eigen mensen en loopt tot de dag van vandaag gevaar. Hij groeide uit tot een van de meest ervaren terreurbestrijders. Voor het eerst verbreekt het ’icoon van de Bijzondere Bijstands Eenheid Mariniers’ het zwijgen.




Omdat hij het tijd vindt voor de marinierskant van de geschiedenis, doorbreekt Titahena het zwijgen en vertelt zijn verhaal in het boek Liggen blijven! van Telegraaf-verslaggevers Olof van Joolen en Silvan Schoonhoven dat maandag verschijnt.
„Ik betaalde een hoge prijs. maar als ik het Wilhelmus hoor, krijg ik vochtige ogen. Voor de Nederlandse vlag doe ik alles”, vat hij de motivatie voor zijn trouw aan het Koningshuis en het Korps Mariniers samen.

Titahena geldt als een van de meest ervaren terreurbestrijders van ons land. Hij was na zijn loopbaan bij de mariniers betrokken bij de oprichting van de Dienst Speciale Interventies waarin defensie en politie samen tegen terroristen optrekken. Met De Telegraaf kreeg hij een uniek kijkje achter de schermen bij een training van zijn opvolgers op wie hij erg trots zegt te zijn.

’Trek je broek uit’, echoot het door de megafoon. De man op sokken staat verder alleen nog maar in zijn onderbroek op straat. Vijf machinepistolen zijn op hem gericht en boven zijn hoofd snort als een nieuwsgierig insect een cameradrone. ’Kwartslag rechts’, beveelt een stem. ’Nog een kwartslag rechts. Loop naar achteren.’
Van een afstandje kijkt John Titahena goedkeurend toe hoe bij de oefening een ’terrorist’ in de boeien wordt geslagen. Elf jaar na zijn afscheid van de Dienst Speciale Interventies (DSI) en de Unit Interventie Mariniers (UIM) is hij in het oefendorp Marnehuizen te gast bij zijn opvolgers. De terreurbestrijders onthalen hem als een levende legende.

Titahena is lyrisch over het materieel waarmee de DSI mag werken. Speciale laddervoertuigen, nauwkeurig doseerbare springstoffen waar geen deur tegen bestand is, drones, camerarobots, supergetrainde honden. Goedkeurend kijkt hij naar de kevlar schilden, de full face helmen met camera, de vesten met uitgekiende vakjes voor granaten en zaklantaarns. „Die moesten we vroeger zelf maken.” De lichtgewicht Heckler&Kochs zijn op lange afstand veel accurater dan zijn oude Uzi. De wapens zijn opgetuigd met lasers en aimpoint-viziers. „Het voordeel daarvan is dat je, terwijl je richt, toch twee ogen open kunt houden.”

Doelwit
Titahena maakte als jong marinier de terreuracties van de jaren zeventig mee, waaronder de twee Molukse treinkapingen. Hij werd zelf ook doelwit, kort nadat de mariniers de treinkaping bij De Punt (1977) hadden beëindigd. Heel Winterswijk was in rep en roer. „Wij willen die landverrader”, schreeuwde een groep Molukkers terwijl ze bij de familie Titahena de ramen ingooiden en probeerden door de gevel te breken.

Johnny Titahena, de Molukker die uitgerekend in een tijd van Molukse terreuracties voorop ging in de aanval, vertelt zijn opmerkelijke levensverhaal voor het eerst in het boek Liggen blijven! van Telegraaf-verslaggevers Olof van Joolen en Silvan Schoonhoven dat komende week verschijnt. Hij legt uit waarom hij koos voor de andere kant. Voor, zoals zijn familie en hij het zagen, de ordeherstellers in plaats van de ordeverstoorders.
„Ik groeide op voor weinig moois”, vertelt Titahena. We zitten in een hoekje van een restaurant in midden Nederland half verscholen achter een pilaar. Een veilige plek op een locatie die Titahena vertrouwt. Toch is hij onafgebroken op zijn hoede.
„Van de mavo ging ik af zonder diploma en ik hing in Groningen rond met een Molukse knokploeg. Het was allemaal precies wat mijn ouders niet wilden.”, vertelt hij. Zijn stem is zacht, maar elk woord klinkt beslist. Zijn gestalte is tenger, maar oogt ook jaren na pensionering klaar voor actie.

Door het Korps Mariniers komt John op het rechte spoor. Hij wordt de op een na beste van zijn opleidingsgroep. Wanneer de eerste Nederlandse antiterreureenheid in 1973 op poten wordt gezet, hoort John Titahena bij de eerste rekruten. Tijdens alle acties is de marinier erbij. In Den Haag zit hij tijdens de gijzeling van de Franse ambassadeur en zijn gevolg in de aanvalsploeg. Tot Titahena’s grote opluchting hoeven de militairen niet in actie te komen. Wel gaan de mannen van de Bijzondere Bijstands Eenheid Mariniers naar binnen wanneer criminelen kort erop de leden van een kerkkoor gijzelen in de Scheveningse strafgevangenis. Titahena bevindt zich in de punt van de aanval en krijgt voor zijn inzet een koninklijke onderscheiding.

Van straatschoffie tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau, het kan verkeren. Als hij de feestelijke avond van de uitreiking in het chique Haagse Hotel Des Indes terughaalt, wordt Titahena emotioneel. „Als ik het Wilhelmus hoor, krijg ik vochtige ogen. Voor de Nederlandse vlag doe ik alles”, zegt hij. „Familieleden van mijn ouders zijn geëxecuteerd vanwege hun trouw aan koningin Wilhelmina. Ze weigerden afstand van het koningshuis te nemen. Het grootste deel van de Molukse gemeenschap was toch heel trots toen ik werd geridderd.”

Neef
Tijdens de eerste treinkaping in Wijster (1975) ligt de marinier in de voorste linie klaar om in actie te komen wanneer zijn commandant hem bij zich roept. Er is een probleem: Johns neef Abby lijkt een van de gijzelnemers. John wordt van het front gehaald. Dat hij bij een bestorming niet in staat zou zijn om zijn neef buiten gevecht te stellen… de suggestie alleen al maakt hem razend. Pas wanneer duidelijk wordt dat Abby Titahena niet in de trein zit, mag John terug.
In de Molukse gemeenschap wordt ’Wijster’ hem zwaar aangerekend. De andere Titahena’s snijden de banden met het Winterswijkse gezin door. Dat is een keiharde sanctie in een gemeenschap waar familieverhoudingen zo belangrijk zijn. Johns ouders blijven hem steunen, ook wanneer hij in de disco op een wc-deur zijn naam ziet bij een poppetje dat aan een galg bungelt.

Na de tweede antiterreuractie in De Punt (1977) is Titahena in Nederland zijn leven echt niet meer zeker. „Mijn ouders werden gebeld: ’We hebben uw zoon’, kregen ze te horen. Er waren bedreigingen. Ik ging niet meer naar huis en sliep elke avond bij een andere collega.” Als hij toch naar Winterswijk gaat om zijn meisje op te halen, escaleert de boel. Molukse jongeren komen van heinde en verre om wraak te nemen.
Een lynchpartij hangt in de lucht. Het gezin weet alleen onder zware escorte te ontkomen naar het politiebureau waar de situatie snel onhoudbaar wordt. De marine probeert de boel te sussen door te verkondigen dat Titahena helemaal niet bij De Punt is ingezet. Dat verhaal gaat er in de Molukse gemeenschap niet in. Ze weten wel beter. Pas op de landmachtkazerne in Eibergen waar vader Titahena werkt, is de familie min of meer veilig. Hoewel ook hier bij de poort permanent Molukkers dreigend rondhangen. De situatie is onhoudbaar. De Titahena’s moeten naar Curaçao.

Eigen risico
Na een paar jaar Antillen is de dreiging niet weg. Toch begint het te kriebelen en op eigen risico gaat John Titahena terug naar Nederland, terug naar de BBE. Hij raakt nauw betrokken bij de oprichting van de ’Dienst Speciale Interventies’. Die bestaat uit leden van arrestatieteams van de politie en UIM mariniers. Voor de man die moet leven met permanente persoonlijke dreiging wordt terreurbestrijding zijn thuis.

Dat hij inmiddels al jaren van zijn pensioen geniet, verandert niets aan zijn situatie. De stap die hij dik veertig jaar terug zette, is onomkeerbaar. „In de Molukse cultuur geldt: eens een vijand, altijd een vijand”, legt Titahena uit. „Ik ben niet bang, wel voorzichtig. Het probleem is dat het vanwege de rechtszaak over De Punt maar blijft spelen. Daardoor zijn Molukkers in de veronderstelling dat wij ’hen’ hebben geëxecuteerd, terwijl dat echt niet zo is.”
Van het oefendorp Marnehuizen is het maar een halfuur rijden naar De Punt. ’We kunnen wel even kijken’, zegt Titahena bijna achteloos na de korte reünie. Op een enkel bliksembezoek na, is hij nooit teruggeweest op de plek waar de BBE-mariniers hun zwaarste slag leverden. Daar loopt hij nu op de golfbaan waar hij drie weken van zijn leven doorbracht, onwennig te zoeken naar aanknopingspunten. Op de greens stonden de tenten, even verder waren de lichtmortieren opgesteld. Maar waar stond de trein ook alweer? Vanaf het pad kijkt de oud-marinier uit over de bloeiende velden. Daar moest Titahena de trein binnenstormen. Het portier waardoor zijn aanvalsploeg naar binnen moest, was opengeblazen.

Ansje
Onder de stalen deur bleek een jonge vrouw te liggen. Ansje Monsjou, twintig jaar oud nog maar, sliep op het balkon tussen twee coupés. Een plek waar volgens het aanvalsplan alleen terroristen verbleven. Het is een van de treindelen die voor de bestorming zwaar zijn beschoten door langeafstandschutters. Die kogels werden haar fataal.
„Het beeld van Ansje, daar in de trein ’s morgens vroeg. Dat staat in mijn hersens gegrift. ’Ik heb haar hoofd dichtgemaakt en heb haar de trein uit getild”, zegt de oud-marinier. „Ik denk er elke dag aan. Ansje had naar huis gemoeten…” Titahena laat het bij de paar zinnetjes. Het wordt stil bij De Punt. „Apart”, bromt hij na een laatste blik op de horizon, en draait zich om richting de auto. In de verte glijdt zacht ruisend een dubbeldekker tussen de Drentse velden door.

Bron: Telegraaf / Defensie (foto’s illustratief)

Europees netwerk antiterreurunits

Een hecht Europees netwerk van antiterreurunits komt een flinke stap dichterbij. Interventie-eenheden uit 31 landen slaan woensdag met de opening van een hoofdkwartier in Den Haag de handen ineen. Dat vieren ze met een terreurtraining.
Het Atlas-network komt in actie bij groot, grensoverschrijdend terrorisme waarbij de contraterreureenheden van één land het niet alleen redden. Het kan ook gaan om grote gijzelingsacties, zegt Jan Op Gen Oorth van Europol. „Bij de laatste grote aanslagen in Europa, die in Parijs, Brussel en Manchester, bliezen de aanslagplegers zich op en was de zaak snel afgelopen. Maar stel dat er gijzelaars worden genomen in een bus of trein of in de Thalys van Amsterdam naar Parijs, dan krijg je een scenario waar Atlas in beeld komt.”




Atlas is opgericht na de aanslagen op 11 september 2001, maar fungeerde vooral als informeel samenwerkingsverband. De terreurbestrijders trainen met elkaar en wisselen kennis uit. Buitenlandse units maken bijvoorbeeld gebruik van Marnehuizen bij de Lauwerszee, het grootste trainingsdorp van Europa. Speciale arrestatieteams trainen daar op het omsingelen en bestormen van huizen waar terroristen zich verschansen.

Met de opzet van een Atlas- hoofdkwartier worden de banden nu verder aangehaald. Een telefoontje naar het zenuwcentrum in het Europol-hoofdkwartier volstaat om buitenlandse terreurunits te hulp te roepen bij een groot, transnationaal incident.

Nederlanders
De Nederlandse terreurbestrijders zijn de mariniers en politiemensen van de Dienst Speciale Interventies. Woensdag traint die DSI samen met de Oostenrijkers in het stoppen van auto’s van terroristen. Tegelijkertijd is er een oefening in de Baltische Zee waar de Nederlanders met de Duitsers, Zweden en Denen oefenen op het het bevrijden van een schip vol gijzelaars. In Polen proberen eenheden vijfhonderd gijzelaars in de metro bevrijden. Zo zijn er woensdag nog zes antiterreurtrainingen gaande door heel Europa.

„Brussel vraagt om een steviger samenwerking”, zegt Op Gen Oorth. „Dus niet alleen als de aanval voorbij is bij forensisch onderzoek naar telefoons, vingerafdrukken of paspoorten. Er is ook een snelle onderlinge ondersteuning nodig op het moment dat de aanval nog gaande is. Met één belletje bereik je voortaan 38 speciale interventie-units tegelijk.”

bron: Telegraaf