Defensie: Nederlandse industrie eerst

Nieuw defensiematerieel moet voortaan zo veel mogelijk van eigen bodem komen. Dat is in het belang van onze nationale veiligheid, en het Nederlandse bedrijfsleven moet tevens een graantje meepikken. Vooral bij de marinebouw, radartechnologie, inlichtingen en cyber geldt voortaan ’Nederland eerst’. Defensie laat bovendien zelf kleine drones en satellieten ontwikkelen voor spionage. Het zijn sectoren waarin Nederlandse bedrijven uitblinken en onder de vlag van staatsveiligheid bescherming verdienen.

“Wie is die man eigenlijk?” Al voordat het gesprek met minister Ank Bijleveld (Defensie) en staatssecretaris Mona Keijzer (Economische Zaken) is begonnen, heeft Keijzer de eerste grap al gemaakt. Ze wijst op het portret van Michiel de Ruyter op de werkkamer van partijgenoot Bijleveld. Het is duidelijk dat de twee CDA-bewindsvrouwen het opperbest met elkaar kunnen vinden. Bijleveld proest van de lach. Haar collega uit Volendam weet donders goed wie de zeventiende-eeuwse zeeheld is, het icoon immers van waar Nederland goed in is: schepen bouwen en de zeeën bevaren.




„Even serieus”, roept een woordvoerder de dames tot de orde. Ze steken van wal over de nieuwe Defensie Industrie Strategie, die ze vandaag lanceren. Die moet volgens Bijleveld behalve de eigen strategische industrie beschermen ook kennis en techniek voor Nederland behouden, omdat de wereld om ons heen steeds onveiliger wordt. „Daarbij mikken we op waar we goed in zijn”, zegt Keijzer. „De marinebouw dus”, vult Bijleveld aan, wenkend richting het schilderij van Neerlands beroemdste admiraal. Waar ’we’ ook in uitblinken: radar- en sensortechnologie, inlichtingen en cyber.

Beschermen
„We moeten in staat zijn om ons eigen grondgebied te beschermen”, zegt Bijleveld. „Daarvoor heb je ook een stabiele basis aan kennis nodig, aan technologie en aan industriële capaciteiten.” Jezelf beschermen betekent volgens de twee CDA-bestuurders ook dat je in staat bent zelf de benodigde spullen daarvoor te regelen om klaar te zijn voor inzet.
Defensie doet de komende jaren gigantische investeringen, vooral bij de marine. Alleen al de vervanging van de onderzeeboten zal zo’n 3 à 4 miljard euro kosten. Het uitgangspunt blijft: het beste wapensysteem voor de beste prijs. Maar, zegt Keijzer: „We hebben afgesproken dat vanaf nu met zoveel mogelijk Nederlandse betrokkenheid te doen.” Dat betekent dat defensiematerieel gewoonweg vaker van Nederlandse makelij zal zijn, al benadrukt Bijleveld dat voor de onderzeeboten de keuze nog niet is gemaakt.

“We moeten in staat zijn om ons eigen grondgebied te beschermen”
Voorheen gedroeg Nederland zich op de Europese defensiemarkt geregeld als braafste jongetje van de klas, waardoor lucratieve defensie-orders aan de neus van de Nederlandse industrie voorbijgingen. We besteedden veel Europees aan, terwijl een bestelling onder de vlag van nationale veiligheid ook binnenlands geregeld kan worden. Onlangs nog greep het Nederlandse familiebedrijf VDL naast een opdracht ter waarde van 200 miljoen euro voor de levering van 1400 werkplekken en mobiele kantoren voor missiegebieden. Een Brits bedrijf ging er met de buit vandoor.

Ontsnappingsroute
In de vorige kabinetsperiode werd namelijk onvoldoende beargumenteerd waarom bepaalde sectoren van wezenlijk belang zijn voor de nationale veiligheid. Juist door dit in deze nota wel nauwgezet uit te werken, kan Defensie vaker de ruimte gebruiken die de Europese regels voor openbare aanbestedingen bieden en direct naar Nederlandse bedrijven stappen, zo is de gedachte.

“Ank en ik delen het Oranjegevoel”
Tegelijkertijd stelt de minister vast dat keuzes nodig zijn: „Als klein land kunnen we gewoon niet alles.” Dat moet ook niet. Als alle Europese landen orders alleen maar aan hun eigen bedrijven gunnen, komt de Nederlandse industrie er op de Europese markt niet aan te pas. Keijzer: „Ank en ik delen het Oranjegevoel. Als je aan ons vraagt: zou je het niet fantastisch vinden als vliegtuigen en helikopters ook uit Nederland komen, dan zeggen we: ja natuurlijk! Maar het is niet zo. We mikken op waar we sterk in zijn, omdat het in het belang is van de nationale veiligheid. Andere dingen kunnen we beter uit het buitenland halen.”

Het schetst de potentiële spanning tussen de ministeries van Defensie en Economische Zaken. Waar ’EZ’ vooral het belang van de Nederlandse industrie voor ogen heeft, wil de krijgsmacht de beste spullen, en het liefst zo snel en goedkoop mogelijk. Het in de ’gouden driehoek’ van overheid-industrie-kennisinstelling scheppen van militair materieel voor de eigen manschappen levert misschien vondsten op die state of the art zijn, voordat de spullen er zijn, gaat er vaak meer tijd en geld verloren.

Bezweren
De CDA-bewindslieden bezweren dat er op dit punt geen verschil van inzicht is. „Sommige spullen moeten we nu eenmaal uit het buitenland halen”, zegt Bijleveld. „Maar dat doen we dan met zoveel mogelijk deelname van Nederlandse bedrijven”, vult Keijzer aan. Als voorbeeld dienen de tweeduizend nieuwe vrachtwagens die defensie krijgt. De opdracht ging naar Scania, niet naar ons eigen DAF. Maar de trucks worden wel in Zwolle gebouwd.

Of neem de F-35, ook bekend als de JSF, een Amerikaans toestel uit de fabriek van Lockheed Martin. Doordat Nederland partner werd in de ontwikkeling van het toestel, profiteerde ook het Nederlandse bedrijfsleven. Fokker voorziet alle ruim tweeduizend toestellen van de bekabeling en remkleppen. Aeronamic uit Almelo maakt compressoren voor de motoren. In logistiek centrum Woensdrecht vindt het motorenonderhoud plaats. OneLogistics in Hoogerheide doet de logistiek en ’warehousing’ voor de Europese toestellen. „In logistiek zijn we gewoon hartstikke goed”, zegt Keijzer. „Het gaat bij de F-35 alleen al tot 2050 om 13 miljard euro aan directe en indirecte omzet voor het Nederlandse bedrijfsleven.”

“In logistiek zijn we gewoon hartstikke goed”
Ook hoopt het kabinet dat als een opdracht dan naar het buitenland gaat, Nederlandse bedrijven in zulke mate betrokken zijn bij de productie, dat ze de kennis verwerven om het de volgende keer misschien wel zelf te maken. De Nederlandse industrie wordt bovendien gestimuleerd om te innoveren. Het kabinet wil vaker de eerste zijn die een nieuw product koopt, de ’launching customer’ zijn zoals dat dan heet. Bedrijven kunnen dan makkelijker innoveren, omdat ze weten dat Nederland hun vondst afneemt. Defensie heeft in zo’n geval het beste wapensysteem, helemaal toegesneden op de eigen wensen, de kennisinstelling vergroot z’n kennis en de industrie heeft een verzekerde klant om z’n product mee op de markt te zetten. Dat stimuleert ook de export. „Want in in het buitenland zien ze: kijk eens wat ze daar voor elkaar boksen”, zegt Keijzer. Zo beschikt de Nederlandse marine over luchtverdedigingsfregatten van scheepsbouwer Damen waar de Amerikanen jaloers op zijn, met een radar van wereldspeler Thales.

Achterdeur
Over ’launching’ gesproken… Nederland wil letterlijk nieuw materieel lanceren: eigen onbemande vliegtuigjes en satellieten, bestemd voor het vergaren van inlichtingen. Ook hier koopt Defensie producten op de Nederlandse markt die nu nog niet bestaan. Wat het gevaar is voor onze nationale veiligheid als het buitenland die drones en satellieten voor ons zou maken? Zou er dan een ’achterdeur’ in zitten om mee te luisteren? „Ja, óf technologieën die ze uit kunnen schakelen, óf chips waardoor ze kunnen meeluisteren”, bekent Bijleveld. „Dat zijn dingen waar je naar kijkt.” De minister wil maar zegen: het zelf maken is goed voor onze industrie, maar ook goed voor onze veiligheid.

Bron: telegraaf / Defensie (foto illustratief)

Defensietop verzwijgt financiële risico’s marinierskazerne

De Nederlandse mariniers moeten verhuizen naar Vlissingen, maar van begin af aan rammelt de financiële onderbouwing van het project. Uit interne documenten van Defensie en het Rijksvastgoedbedrijf — in handen van Follow The Money — blijkt dat de Defensietop kostenstijgingen en financiële risico’s bagatelliseert en verzwijgt.




Een samenvatting van het artikel door Follow the Money.

Defensie heeft de Kamer niet volledig geïnformeerd over de nieuw te bouwen marinierskazerne in Vlissingen. Kostenstijgingen zijn niet gedeeld en financiële risico’s blijken groter dan voorgespiegeld.

De marinierskazerne zou volgens voormalig minister Hillen van Defensie 100 tot 200 miljoen euro gaan kosten. Deze investering zou een besparing van drie miljoen euro op de gebruikskosten gaan opleveren. Concrete, onderbouwde cijfers zijn echter nooit bekend gemaakt.

Uit interne documenten van Defensie en het Rijksvastgoedbedrijf, in handen van Follow the Money, blijkt dat er intern nauwelijks duidelijkheid was wat het project nu ging kosten.

De financiële onderbouwing rammelt. De beloofde besparing wordt niet gehaald. Ook moet Defensie opeens toch betalen voor de grond in Vlissingen, terwijl toenmalig minister Hillen voorspiegelde dat dit niet zou hoeven. Deze essentiële informatie om de politieke beloftes te controleren is niet gedeeld met de Kamer.

De financiële risico’s zijn groter dan voorgespiegeld door Minister Hillen, die sprak van enige ‘middelhoge’ risico’s. Veel risico’s blijken ‘zeer hoog’ en het aantal risico’s is ook groter. Defensie heeft de Kamer hier maar in beperkte mate over voorgelicht.

De besluitvorming roept ook intern veel vragen op: directe betrokken wijzen op mogelijke manipulatie

Lees hier het hele artikel op Follow the Money.

Bron: Follow the Money / Defensie